Socius Community

[Leesopdracht] Gesprekken leiden

Groepsgesprekken leiden is niet gemakkelijk. Je leert het eigenlijk maar door het vaak te doen. Zeker als beginnend begeleider zit je voortdurend met het spanningsveld: “laat ik het gebeuren – of moet ik nu ingrijpen.” En als je dan vindt dat je moet ingrijpen, rijst altijd de moeilijke vraag: “wat moet ik dan precies doen of zeggen?”

Gesprekken begeleiden is moeilijk omdat je per definitie met een behoorlijk open situatie zit: je doet het gesprek maar omdat de mensen daarin met eigen ideeën kunnen komen, kunnen leren van elkaar, om het gespreksthema verder uit te diepen, om tot goeie oplossingen of besluiten te komen die niet vooraf vastliggen. Je kan dus nooit voorspellen hoe het gesprek precies zal verlopen. Dat maakt het spannend en moeilijk: je moet leren omgaan met open situaties en de bijhorende onzekerheid.

Voor zo’n gesprek bestaan geen vaste recepten voor succes. Wat we vaak vaststellen, is dat gesprekken een wat onbevredigend gevoel nalaten: de meeste deelnemers hebben wel iets gezegd, maar het gesprek had weinig diepgang, het leverde weinig of geen discussie op, mensen hebben hun gedachten niet echt kunnen uitdiepen. Het hieronder uitgewerkte ‘groepsdynamische brilletje’ kan je misschien helpen om beter te verstaan hoe dat komt en om wegen te zien hoe jij hier als beginnend gespreksleider mee kan omgaan.

Expositiefase

Stel: een gespreksleider legt een thema op tafel. Goed voorbereid, een duidelijke vraag, een goed uitgangspunt, een uitdagende stelling, een probleem dat moet opgelost worden. In de meeste gevallen zie je vanwege de deelnemers wel een reactie: iemand vertelt meteen zijn mening, mensen geven non-verbale signalen dat ze iets willen zeggen. Als gespreksleider open je dan voor hen de deur, door hen aan te kijken of expliciet te vragen naar hun reactie. Met wat geluk, en als de groep klein genoeg is, zullen de meeste deelnemers inderdaad ook één na één hun reactie op je uitgangsvragen geven.

Deze fase van het gesprek noemen we de ‘expositie-fase’. Iedereen stelt zichzelf even ‘ten toon’: deelnemers laten voorzichtig hun mening zien, laten zien welk standpunt ze innemen, wat hun eerste reacties op de uitgangspunten zijn. In deze fase van het gesprek ben je als gespreksleider meestal het aanspreekpunt: deelnemers spreken elk op hun beurt, en kijken je meestal rechtstreeks aan. Je zou kunnen stellen dat het gesprek er op dat moment uitziet als een reeks van korte interacties tussen gespreksleider en elk van de groepsleden. Als je dat voorstelt zoals in onderstaande figuur, lijkt het alsof je in deze fase van het gesprek als gespreksleider ‘de spin in het web’ bent:

Je kan deze expositiefase als gespreksleider versterken door bijvoorbeeld voor te stellen om te starten met een beknopt rondje, waarin iedereen heel beperkt de eerste reacties meedeelt. Zo kom je meteen op gang en kan je als gespreksleider en als groepsleider heel snel inschatten wat er rond het thema leeft in de groep. Eventueel laat je dit even voorafgaan door een korte zoemsessie per twee, zodat iedereen al eens in een wat veiligere context heeft kunnen nadenken over het in te nemen standpunt. Meestal maakt dit de expositiefase rijker aan materiaal, en dus al wat diepgaander.

Het interessante aan deze expositiefase is dat een aantal eerste gesprekslijnen kunnen zichtbaar worden. Probleem met de expositiefase is dat zij erg oppervlakkig is: eerste gedachten en intuïties, halve waarheden, ondoordachte inbrengen – verder dan dat kom je meestal niet in dit eerste gespreksrondje.

Doorwerkfase

Om tot een bevredigend gesprek te komen, moet er dus nog iets gebeuren. Daar heb je als gespreksleider een belangrijke rol in te spelen: jij moet er namelijk voor zorgen dat de overgang gemaakt wordt naar de ‘doorwerkfase’ van het gesprek.

De ‘doorwerkfase’ ziet er anders uit dan de expositiefase: in deze fase praten de groepsleden meer ‘met’ elkaar. Ze gaan in op elkaars inbreng, ze brengen verschillen in mening aan het licht – of ze stellen vast dat ze het met elkaar eens zijn. Groepsleden kijken elkaar ook meer en meer rechtstreeks aan als ze praten – en dus kijken ze minder naar jou. Ze wachten ook minder jouw ‘uitnodiging of toestemming’ af om het woord te nemen.

Waar het gesprek in de expositiefase vaak heel geordend en rustig verloopt, wordt het in de doorwerkfase vaak wat rommeliger of geanimeerder, er wordt wat meer door elkaar gepraat. Jij speelt je rol als gespreksleider vooral door het gesprek te structureren: de interactie wordt sterker gedragen door de deelnemers zelf. Als je hiervan de structuur tekent, dan zie je dat je dat de gespreksleider niet meer zo centraal staat in de groep en dat de interacties zich wat chaotischer ordenen tussen alle groepsleden.

Inhoudelijk doorwerken?

Laat het ons eens bekijken vanuit de inhoudelijke kant: de gespreksleider stelt een thema voor. Dat kan een vraag zijn, een stelling, een thematische invalshoek, een op te lossen probleem. In de expositiefase reageren de deelnemers kort op het aangeboden uitgangspunt – reacties die nog niet op elkaar ingaan, die dus enigszins naast elkaar staan. Dat ziet er zo uit:

In de doorwerkfase komt het eropaan om voortgaande op die eerste reacties gesprekslijnen te ontwikkelen die enige diepgang hebben. Waar de reacties van mensen op de uitgangsvraag nog enigszins ‘los zand’ zijn – oppervlakkige en naast elkaar geplaatste opmerkingen – is het jouw taak als gespreksleider om door vragen te stellen, te confronteren, te vergelijken en dergelijke meer, in de doorwerkfase de verschillende thematische lijnen interessant en diepgaand te maken. Je zorgt dus voor min of meer samenhangende en verdiepende gesprekslijnen. Het gesprek ziet er dan min of meer zo uit:

Als gespreksleider kan je dit vooral doen door in de expositiefase heel goed te luisteren, en van daaruit een aantal mogelijke gesprekslijnen alvast te formuleren. Je kan dan de overgang maken naar de doorwerkfase door bijvoorbeeld volgende ingrepen:

  • Laat ons eens verder ingaan op reactie 1 – kan je die verder verduidelijken? Kunnen andere mensen zich herkennen in die reactie? (dit kan dan leiden tot bv. gesprekslijn 1 in het schema)
  • Ik hoor een tegenstelling tussen reactie 3 en reactie 4 – klopt het dat daar echt een tegenstelling inzit? Welk standpunt nemen anderen daar tegenover in? (dit kan dan bv. leiden tot gesprekslijn 2 in het schema).
  • Reactie 5 lijkt op het eerste gezicht vanzelfsprekend – maar ik zou daar tegenover kunnen stellen dat … (beetje techniek van ‘advocaat van de duivel’)
  • Op gezette tijden kan je als gespreksleider een korte samenvatting maken van de aan bod gekomen standpunten: door te vragen of deze samenvatting klopt, kunnen de deelnemers verdere nuances aanbrengen, of corrigerend en aanvullend werken.

Groepspagina