Socius Community

[Leesopdracht 1] Groepen zijn als een mobile

Mensen leven en werken voortdurend in groepen. In gezinnen. In teams op het werk. In cursusgroepen. In afdelingen. In vriendengroepen. In sportploegen. We doen sociaal-culturele praktijken in groepen. Verenigingen. Cursussen. Straatcomités. Als mensen zijn we letterlijk vanuit onze biologische evolutie te begrijpen als ‘groepsdieren’.

Sociaal-culturele werkers moeten dus verstaan wat er in groepen gebeurt. Ze moeten begrijpen hoe het samenspel van allerlei processen leidt tot wat zich voor onze ogen afspeelt. Want groepen zijn beweeglijk. Groepsdynamiek, zeggen we. Er gebeurt veel en er gebeurt voortdurend van alles tegelijk. En het gekke is, dat mensen vaak weinig woorden of brilletjes hebben om goed te kijken naar wat in groepen gebeurt, om te begrijpen wat zich afspeelt of om heel bewust in te grijpen om het leven en werken in groepen te verbeteren.

Deze tekst gaat over de fundamentele dynamieken in groepen – vanwaar komt de energie?

Drie fundamentele dynamieken

Groepen lijken op een ‘mobile’.  Ooit waren ze enorm populair. Een constructie van touwtjes en hangertjes en kleine balansjes, die je ophangt boven je radiator of in de buurt van een raam of een deur. Door de kleine luchtstromingen is zo’n mobile voortdurend in beweging. Onvoorspelbaar, telkens weer andere richtingen uit. De minste verandering doet alles weer een andere kant opdraaien. En toch kan niet alles: de mobile wordt gestuurd, bepaald en beperkt door de lengte van de staafjes en touwtjes, door de gewichten van hangertjes.

Zo is het dus ook met groepen. Om groepen te begrijpen en te leiden, moeten we goed zien hoe alles samenhangt en vanwaar de ‘wind’ komt die alles in beweging houdt. Drie spanningsvelden leveren de ‘windenergie’ en drijven dus de groepsdynamiek aan. Zij brengen groepsleden in actie en doen patronen ontstaan. Of zij verlammen mensen en doorbreken juist de gewoonten van de groep.

‘Erkenning’ versus ‘afstemming’

Iemand erkennen is laten zien dat je de ander ziet. De ander met zijn beweegredenen, zijn pogingen om invloed te verwerven, zijn emotie, zijn vraag. Is laten zien dat je zijn recht op bestaan en op eigen behoeften en verlangens erkent. Erkennen bestaat er in dat je de invloed van de ander zichtbaar maakt.  Dat je duidelijk maakt dat de ander in enige mate controle heeft op zijn omgeving. Dat is daarom niet hetzelfde als  ‘gelijk geven’  of ‘meegaan met’. Groepen en teams  zijn plaatsen waar een mens kan ervaren dat hij invloed heeft, dat hij als het ware bestaat (al was het maar omdat hij er altijd op zijn kop krijgt). Als iemand te weinig erkenning ervaart, kan aandacht vragen een typische reactie zijn. Erkennen is bij uitstek een ‘relatiegerichte’ energie.

Daartegenover staat afstemmen als een ‘taakgerichte’ energie: mensen stemmen hun handelen op elkaar af in functie van een gezamenlijke taak, ambitie, of louter omwille van de cohesie (bv. vriendengroep, samen koffie drinken, … ). Afstemming is het onderhandelen over een doel, een handeling, een project, een activiteit. Dat kan een echte onderhandeling zijn, maar bv. ook een bevel, een vraag.

Een kernprobleem van samenwerken is het volgende: ‘afstemming’ is meestal rechtstreeks bespreekbaar, is vaak voorwerp van vergaderingen, evaluaties, etc. ‘Erkenning’ daarentegen is een delicaat thema, weinig bespreekbaar, zeker in groep (vaak wel in tweetalletjes aan de koffie of de toog). We blijven daar af, waardoor vaak het bespreken van een probleem verschuift van het erkenningsnivau naar het afstemmingsniveau.

Voorbeeld

Sofie komt de derde keer naar de bestuursvergadering. Zij is veel jonger dan de andere leden. Het bestuur heeft haar precies gevraag omdat ze willen werken aan verjonging van de vereniging. Sofie heeft het gevoel dat ze wel vanalles mag zeggen en dat de rest dan heel beleefd naar haar luistert. Maar uiteindelijk wordt met haar inbreng weinig of geen rekening gehouden: het bestuur zweert bij de oude gewoontes. Of ze daar nu zit of niet, dat heeft in haar aanvoelen weinig invloed. Ze voelt zich niet ‘erkend’.

Voorbeeld

De coördinator wil de vergadering efficiënt houden: snel to-the-point, geen te lange discussies, en heldere en eenduidige besluiten. Hij vraagt aan zijn teamleden om hun inbreng kort en zakelijk te houden en om altijd af te wegen of een inbreng wel echt nog iets inhoudelijk toevoegt aan de discussie. Hij zet dus in op ‘afstemmen’. Enkele teamleden hebben altijd het gevoel dat er voor hen geen ruimte is om een inbreng te doen. Die wordt weggekaapt door een paar bollebozen in het team: zij weten altijd heel slimme ideeën aan te leveren waar de coördinator gretig op ingaat. Bij de andere teamleden is de motivatie om mee te vergaderen wegge-ebt. Zij zitten er weinig betrokken bij. Zij voelen zich niet ‘erkend’.

‘Individueren’ versus ‘affiliëren/conformeren’

Affiliatie betekent ‘het zich verbinden met’. Mensen willen graag tot een groep behoren. Mensen willen zich associëren met anderen. Dit gaat terug op het oorspronkelijke ‘stam’-gevoel, of op het veilige basisgevoel van kinderen om tot een bepaald gezin, een familie te behoren. De tendens tot affiliatie is nauw verweven met dat stuk van onze identiteit dat we gemeenschappelijk hebben met de groep waartoe we behoren. Deze tendens is de eigenlijke drive, die leidt tot het afstemmen van het eigen handelen op dat van anderen en tot het accepteren van een zekere onderlinge afhankelijkheid. Je doet vaak iets omdat je tot een groep behoort, of wil behoren. Heel vaak toont zich dat in het ‘conformeren’: je gedraagt je naar de verwachtingen van anderen of de normen en tekenen die eigen zijn aan de groep.

Individuatie betekent dan weer ‘het zichzelf beleven en aan anderen presenteren als een uniek individu’. Deze tendens is tegenovergesteld aan de tendens tot affiliatie: ieder mens wil zichzelf ook beleven als anders dan de andere. Dat behoort met name tot de definitie van identiteit: waarin verschil ik van de anderen, en wat maakt precies dat ik ‘iemand’ ben. Mensen profileren zich dus altijd toch ook weer als verschillend van de ander. Zeker in onze Westerse cultuur is dat een heel belangrijke factor.

Voorbeeld

Een startende cursusgroep, met allemaal nieuwe mensen. Mensen zijn nieuwsgierig naar elkaar. Ze gaan op zoek naar een gemeenschappelijke bekende, naar gedeelde interesses. Ze vinden het leuk als ze iets vinden. Een gedeelde hobby, een hogeschool waar ze ooit blijkbaar samen hebben gezeten. Een gelijkaardige kledingstijl. Dat kan voldoende basis zijn om zich met elkaar te verbinden. In de eerste fase van een groepsproces is ‘affiliëren’ misschien wel de belangrijkste activiteit. Als een groep een tijdje bestaat, beginnen de verschillen boven te komen. Mensen testen in hoeverre ze kunnen afwijken van de gegroeide groepsnormen. In hoeverre dat ze een afwijkende mening kunnen hebben. In hoeverre ze zichzelf kunnen zijn en blijven. Ze beginnen te discussiëren over waar het met de groep naar toe moet. Ze willen hun eigen stempel drukken. Geen wonder dus dat na de ‘wittebroodsperiode’ van een groep een fase van conflicten komt: conflicten die pas opgelost geraken als er een nieuw evenwicht kan worden ingesteld waar mensen dan weer  mee kunnen affiliëren.

‘Autonomie’ versus ‘afhankelijkheid’

Autonomie is gebouwd op het gevoel dat je zelf het initiatief hebt, dat je zelf je eigen leven, de anderen, de wereld kan beïnvloeden, controleren. En autonomie is gebouwd op het feit dat de anderen jou ook als autonoom erkennen. Het zal duidelijk zijn dat hierin een belangrijke bron van motivatie kan verborgen liggen: mensen doen dingen omdat ze daarmee het gevoel hebben zelf hun eigen leven en de wereld naar hun hand te kunnen zetten, én omdat deze dingen gezien kunnen worden door anderen.

Afhankelijkheid staat hier diametraal tegenover: voor ons eigen handelen hangen we af van anderen – anderen bepalen ons. In die zin wordt afhankelijkheid vaak beschouwd als de negatie van autonomie. Toch is ook afhankelijkheid niet per sé als negatief te beschouwen: elke vorm van verbinding schept vormen van onderlinge afhankelijkheid, die ook deugddoend, erkennend, individuerend kunnen zijn. Kijk maar naar je kinderen, of relaties met je partner: ze maken deel uit van je identiteit, ze geven je erkenning, bevestigen jou in je autonomie.

Voorbeeld

Els heeft het initiatief genomen om in de buurt een deelgroep op te zetten voor tuingerief en ander werkgereedschap. De eerste bijeenkomst komt er aan. Achttien buren hebben laten weten dat ze willen komen. Ze hoopt dat ze dat ze iedereen zo ver krijgt om het eigen gerief in de deelgroep in te brengen. Voor het succes van de deelgroep is ze helemaal afhankelijk van de bereidheid van haar buren.

Voorbeeld

Karen durft er niet aan te beginnen. Ze heeft nochtans een heel goed en vernieuwend idee voor een nieuwe praktijk in haar vereniging. Maar ze vreest dat haar collega’s het niet zien zitten. Ze is afhankelijk van de anderen en dat neemt haar goesting weg: ze ziet zo voor zich hoe het team in dit soort praktijken een blok aan het been kan zijn. Op aanraden van een collega brengt ze haar voorstel toch op de vergadering. En tot haar verrassing is het vooral de teamleider die haar aanmoedigt om haar ding te doen en te proberen of het werkt. Ze mag naar eigen goeddunken het experiment opzetten. In alle autonomie. Enige voorwaarde is dat ze regelmatig deelt met de anderen wat ze leert.

Groepspagina